ECLI:NL:CRVB:2012:BW8011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing werkleeraanbod en inkomensvoorziening wegens ontbreken geldig identiteitsbewijs
Appellant heeft aanvragen ingediend voor een werkleeraanbod en inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Deze aanvragen zijn door het college buiten behandeling gesteld omdat appellant niet beschikt over een geldig paspoort of identiteitskaart, zoals vereist in artikel 44, derde lid, van de WIJ. Appellant weigert de vereiste vingerafdrukken te laten opnemen, waardoor zijn identiteit niet kan worden vastgesteld.
De voorzieningenrechter heeft het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het werkleeraanbod ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van de inkomensvoorziening gegrond verklaard, maar zelf bepaald dat appellant geen recht heeft op de inkomensvoorziening vanwege het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs. Appellant stelde in hoger beroep dat de dwingendrechtelijke bepaling opzijgezet kon worden op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het materiële zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad oordeelt dat artikel 44, derde lid, van de WIJ een dwingendrechtelijke bepaling is en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Het belang van het voorkomen van identiteitsfraude weegt zwaarder dan de door appellant aangevoerde belangen. Ook het beroep op het beleid van het college (Richtlijn B041) faalt omdat appellant zich nooit met een geldig paspoort of identiteitskaart heeft geïdentificeerd.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening wegens ontbreken van een geldig identiteitsbewijs wordt bevestigd.