ECLI:NL:CRVB:2012:BW8067

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3944 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 34 lid 3 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melden van effectenrekening

Appellante ontvangt sinds 1997 bijstand en had gedurende de periode 31 december 2004 tot en met 31 december 2007 een effectenrekening bij ING Bank met een waarde die het vrij te laten vermogen volgens de WWB overschreed. Het college trok daarom de bijstand over deze periode in. Appellante maakte niet aannemelijk dat zij niet beschikte over deze rekening of het tegoed daarop.

De Raad stelt vast dat het bestaan van een bankrekening op naam van een meerderjarige de veronderstelling rechtvaardigt dat deze bekend is met de rekening en dat het tegoed tot het vermogen behoort waarover hij of zij kan beschikken. Appellante slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken, ondanks haar stellingen dat zij geen pinpas had en geen transacties verrichtte.

De Raad oordeelt dat het niet melden van de effectenrekening een schending van de inlichtingenverplichting volgens artikel 17 WWB Pro is. Het hoger beroep faalt en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante de effectenrekening niet heeft gemeld en daardoor de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Uitspraak

10/3944 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 juni 2010, 10/462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)
Datum uitspraak: 5 juni 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.E.W.C.M. Kneepkens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roodhorst.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt sinds 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Uit een onderzoek van de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand is naar voren gekomen dat appellante bankrekeningen op haar naam had staan die zij niet aan het college bekend heeft gemaakt. Het betreft met name de effectenrekening [rekeningnummer 1] bij de ING Bank met daaraan gekoppeld een effectendepot met nummer [rekeningnummer 2]. Uit de afschriften van de ING Bank blijkt dat de waarde van het effectendepot op 31 december 2004 € 5.887,-- was, op 31 december 2005 € 9.699,--, op 31 december 2006 € 11.930,-- en op 31 december 2007 € 12.702,--.
1.3. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het college, voor zover hier nog van belang, de bijstand van appellante over de periode van 31 december 2004 tot en met 31 december 2007 ingetrokken op de grond dat zij beschikte over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen te boven ging. Bij besluit van 13 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vaststaat dat appellante over de hier te beoordelen periode van 31 december 2004 tot en met 31 december 2007 een effectenrekening op naam had bij de ING Bank met daaraan gekoppeld een depot met een waarde die de grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB overschreed.
4.2. Het feit dat een bankrekening op naam van een meerderjarige betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene met het bestaan van de rekening bekend is en dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (CRvB 25 augustus 2009, LJN BJ7664). In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante daarin niet is geslaagd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante het openingscontract van de betreffende rekening heeft ondertekend en dat zij de bedragen op die rekening feitelijk kon aanwenden ter voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten. De stelling dat zij geen beschikking had over een pinpas, dat zij nimmer transacties heeft verricht en geen bankafschriften heeft ontvangen maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling dat volledig te goeder trouw is gehandeld, dat haar vader gevolmachtigd was en deze het saldo later (na de in geding zijnde periode) heeft overgeheveld naar een eigen bankrekening. De beroepsgrond dat op de actuele waarde van de in bezit zijnde effecten de aankoopkosten in mindering dienen te worden gebracht volgt de Raad niet. Het gaat immers om het ten tijde in geding actueel zijnde banktegoed dat als beschikbaar vermogensbestanddeel van appellante moet worden aangemerkt en dat toen een beletsel vormde voor bijstandsverlening omdat dit tegoed de grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Dat het tegoed (mede) bestemd zou zijn “als appeltje voor de dorst” van appellante kan overigens, wat daarvan zij, om dezelfde reden niet tot een ander oordeel leiden.
4.4. Duidelijk is dat het bestaan van bankrekeningen en daarop staande tegoeden van invloed kunnen zijn op de (voortzetting van de) bijstandsverlening zodat deze vallen onder de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Door geen mededeling te doen van de in 1.2 vermelde rekening heeft appellante deze verplichting geschonden. De stelling dat zij zich niet (meer) bewust is geweest van het feit dat zij destijds een rekening heeft geopend en daarover de beschikkingsmacht had, kan daaraan niet afdoen nu dit voor haar rekening en risico moet worden gelaten.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) V.C. Hartkamp.
HD