ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen vermogen boven vrijlatingsgrens
Appellante ontving bijstand sinds 1997 en had bankrekeningen met een effectenrekening die zij niet had gemeld aan het college, waardoor het vrijlatingsvermogen werd overschreden. Het college trok de bijstand over de periode 2004-2007 in en vorderde de kosten van bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, wat door de Raad werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat de terugvordering onevenredig was en dat zij niet over het tegoed kon beschikken. De Raad oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 58 WWB Pro was voldaan en dat het college het terugvorderingsbedrag had gematigd op basis van een redelijkheid- en billijkheidscriterium, waarbij werd uitgegaan van de bijstand die zij zou hebben ontvangen als zij aan haar inlichtingenplicht had voldaan.
De Raad verwierp de stellingen van appellante over de rente en dividend en de waardedaling van het vermogen door de kredietcrisis. Er waren geen aanwijzingen dat de berekening onjuist was. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 10.113,78 bevestigd.