ECLI:NL:CRVB:2012:BW8087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand vanaf 29 april 2003 en werd op grond van een onderzoek verdacht van het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn vriendin, zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand in over de periode 29 april 2003 tot 31 juli 2008 en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond voor de periode vanaf 1 mei 2005, waarna het college het besluit beperkte tot de periode tot 30 april 2005.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat zijn verklaring tijdens het verhoor niet rechtsgeldig was, omdat hij emotioneel was en de verklaring niet had ondertekend. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant en zijn vriendin samen voldoende objectieve grondslag boden om het bestaan van wederzijdse zorg en gezamenlijke huishouding aan te nemen. De emotionele toestand en het ontbreken van ondertekening van de verklaring deden hieraan niet af.
De Raad verwierp het verzoek tot matiging van de terugvordering wegens financiële omstandigheden, omdat hiervoor geen dringende reden bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.