ECLI:NL:CRVB:2012:BW8116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante werd sinds september 2007 wegens handklachten arbeidsongeschikt verklaard en ontving een Ziektewet-uitkering. Na afloop van de wachttijd van 104 weken werd zij door het UWV geacht in staat te zijn passende functies te verrichten, waaronder die van telefoniste, en werd haar WIA-uitkering geweigerd. Op 23 oktober 2009 meldde zij zich ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Het UWV beëindigde haar Ziektewet-uitkering per 15 februari 2010, omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het rapport van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde. Deze arts had appellante op 25 februari 2010 onderzocht en vastgesteld dat zij voldoende hersteld was van een polsoperatie en een trauma aan de linkerenkel. De arts concludeerde dat appellante haar functie als telefoniste kon vervullen. Appellante bracht geen medische gegevens in die dit oordeel konden weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen reden om daarvan af te wijken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 15 februari 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 15 februari 2010.