ECLI:NL:CRVB:2012:BW8313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen inhouding alleenstaande ouderkorting op bijstand niet-ontvankelijk verklaard
Appellante ontvangt sinds 1990 bijstand als alleenstaande ouder, waarvan vanaf 1 januari 2009 maandelijks €53,67 wordt ingehouden wegens de alleenstaande ouderkorting. Op 8 juli 2009 maakte zij bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van juni 2009 omdat zij het niet eens was met deze inhouding.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de uitkeringsspecificatie geen besluit is in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb. De rechtbank oordeelde echter dat dit wel een besluit was en verklaarde het bezwaar gegrond, maar vervolgens ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad overweegt dat elke betaling een onderliggend besluit kent, maar dat een uitkeringsspecificatie zonder wijziging slechts een herhaling is van een eerder genomen besluit en daarom geen nieuw besluit vormt. Omdat de inhouding van de alleenstaande ouderkorting ook in mei 2009 plaatsvond zonder wijziging, is de specificatie van juni 2009 geen besluit in de zin van de Awb.
Daarom was het bezwaar niet-ontvankelijk en heeft de rechtbank dit ten onrechte ongegrond verklaard. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten, laat de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de inhouding van de alleenstaande ouderkorting op de bijstand is niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitkeringsspecificatie geen besluit is in de zin van de Awb.