ECLI:NL:CRVB:2012:BW8322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag badlift wegens voldoende adequaatheid badplank als voorziening
Appellante, geboren in 1952 en lijdend aan reumatoïde artritis, vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Weert een badlift aan als woonvoorziening op grond van de Wmo. Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een medische noodzaak, gesteund door een advies van het CIZ. Appellante stelde dat zij zich zonder badlift niet zelfstandig en veilig kan wassen vanwege pijnklachten en beperkingen in het vasthouden van de douchekop.
De rechtbank vernietigde het besluit van het college wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek door het CIZ, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat niet was aangetoond dat een badlift objectief noodzakelijk was. In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische noodzaak wel degelijk bestond en dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan de medische verklaring van haar reumatoloog.
De Raad oordeelde dat appellante ten tijde van de aanvraag nog in staat was om op een badplank te zitten en zich met behulp van een aan een douchestang bevestigde douchekop te wassen. De badplank is een goedkopere en adequate voorziening dan een badlift. Er was geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een badlift wordt afgewezen omdat een badplank een adequate en goedkoopst compenserende voorziening is.