ECLI:NL:CRVB:2012:BW8331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning financiële tegemoetkoming voor gebruik eigen auto ondanks collectief vervoer
Appellant, met diverse medische beperkingen, vroeg bij het college een vergoeding aan voor het gebruik van zijn eigen auto. Het college wees dit af op grond van het primaat van het collectief vervoer, omdat appellant volgens medisch advies in staat zou zijn daarvan gebruik te maken. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat het primaat van het collectief vervoer niet in strijd is met de Wmo.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische beperkingen en praktische omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. Hij voert aan dat hij ook zijn echtgenote vervoert, die geen rijbewijs heeft, en dat het collectief vervoer onpraktisch is. Het college bleef bij haar standpunt en leverde aanvullend medisch advies.
De Raad constateerde dat het college niet op de zitting verscheen en daardoor de stellingen van appellant als niet weersproken moest beschouwen. De Raad oordeelde dat het primaat van het collectief vervoer niet absoluut is en dat de compensatieplicht van de Wmo ook rekening houdt met individuele persoonskenmerken en vervoerbehoeften. Gezien de gezamenlijke en eigen vervoerbehoefte van appellant en zijn echtgenote achtte de Raad het niet passend om de vergoeding voor de eigen auto af te wijzen.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en kende appellant een financiële tegemoetkoming toe van €670 per jaar, rekening houdend met het inkomen en de reeds toegekende tegemoetkoming aan zijn echtgenote. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit en kent appellant een financiële tegemoetkoming van €670 per jaar toe voor het gebruik van de eigen auto.