ECLI:NL:CRVB:2014:3819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Compensatieplicht Wmo en adequaatheid collectief vervoer met scootmobiel bevestigd
Appellante, met locomotorische beperkingen en afhankelijk van een scootmobiel, verzocht om een financiële tegemoetkoming voor autokosten. Het college wees dit aanvankelijk af, maar kende later een vervoersvoorziening toe in de vorm van collectief vervoer van deur tot deur. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het collectief vervoer onvoldoende tegemoetkomt aan haar vervoersbehoefte, mede vanwege haar minderjarige leeftijd en de wens om samen met het gezin te reizen. Zij voerde aan dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonskenmerken en vervoersbehoeften en dat toepassing van de hardheidsclausule op zijn plaats was.
De Raad overwoog dat het collectief vervoer in combinatie met de scootmobiel adequaat is en voldoet aan de compensatieplicht uit de Wmo. Appellante heeft geen concrete gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat het collectief vervoer voor haar niet toegankelijk is. Ook kan zij met een begeleider reizen, waardoor samen reizen met het gezin mogelijk is. De wens om met het hele gezin samen te reizen vormt geen bijzondere omstandigheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.