ECLI:NL:CRVB:2012:BW9092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen niet-toekenning bovenwettelijke WW-uitkering door UWV
Betrokkene was werkzaam als docent beeldhouwen en werd na het faillissement van zijn werkgever ontslagen. Hij vroeg een WW-uitkering aan en verzocht daarnaast om een bovenwettelijke WW-uitkering op grond van een rechtspositieregeling die onderdeel uitmaakt van zijn arbeidsovereenkomst.
Het UWV kende de reguliere WW-uitkering toe, maar weigerde de bovenwettelijke uitkering toe te kennen en verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen deze weigering niet-ontvankelijk, omdat het UWV meende niet bevoegd te zijn tot uitvoering van de bovenwettelijke regeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en vernietigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de mededeling van het UWV over het niet toekennen van de bovenwettelijke WW-uitkering wel degelijk een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het een beoordeling inhoudt over de bevoegdheid van het UWV. Het UWV had het bezwaar niet-ontvankelijk mogen verklaren, maar had het bezwaar ongegrond moeten verklaren omdat het niet bevoegd is de bovenwettelijke uitkering toe te kennen.
De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het het UWV opdraagt een nieuwe beslissing te nemen, verklaart het bezwaar ongegrond en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet toekennen van de bovenwettelijke WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV is niet bevoegd tot toekenning.