ECLI:NL:CRVB:2012:BW9125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- C.C.W. de Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging correctie- en boetebesluiten wegens onvoldoende motivering in overgang onderneming
Appellante exploiteert sinds 2004 een schoonmaakbedrijf dat voorheen als eenmanszaak werd gedreven door [N.]. Het UWV stelde op basis van een boekenonderzoek correcties vast over het jaar 2003 en legde een boete op. Appellante voerde onder meer aan dat zij niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de premieschulden van de eenmanszaak die bestond vóór haar oprichting.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een feitelijke overgang van onderneming en dat het UWV appellante terecht aansprakelijk stelde. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de hoorverplichting en het verloop van de hoorzittingen. Echter, de Raad laat de juistheid van het oordeel over de overgang van onderneming in het midden.
De Raad overweegt dat, ook als sprake is van overgang, de aansprakelijkheid op grond van artikelen 7:662 en 7:663 BW alleen ziet op rechten en verplichtingen uit arbeidsovereenkomsten en niet op premieschulden uit het verleden van de eenmanszaak. Daarnaast ontbreekt een draagkrachtige motivering in de besluiten om appellante aansprakelijk te stellen voor de correctienota over 2003. De Raad wijst op een terughoudende opstelling bij het doorbreken van aansprakelijkheid en acht de motivering onvoldoende. Daarom vernietigt de Raad de besluiten en draagt het UWV op deze te herstellen.
Uitkomst: De correctie- en boetebesluiten van het UWV worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen deze te herstellen.