ECLI:NL:CRVB:2012:BW9694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college verzocht om voorlopige teruggaven van de Belastingdienst over 2007 en 2008 te overleggen. Ondanks meerdere verzoeken overhandigde zij deze pas in mei 2009, waarna het college besloot de bijstand over die periode te herzien en terug te vorderen.
Appellante voerde aan dat zij haar inlichtingenverplichting niet had geschonden en dat het college ten onrechte had gewacht met terugvordering, beroepend op de zesmaandenjurisprudentie. Tevens stelde zij dat het terug te vorderen bedrag onterecht was gebruteerd en dat het college onterecht het bezwaar tegen de brutering niet-ontvankelijk had verklaard.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting wel had geschonden door de gevraagde gegevens laat te overleggen. Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie faalde omdat het college vrijwel direct na ontvangst van de gegevens tot terugvordering overging. De mededeling over brutering was slechts een aankondiging zonder rechtsgevolg, waardoor het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de Raad het bestreden besluit vernietigde voor zover het bezwaar tegen de mededeling over brutering niet-ontvankelijk werd verklaard en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het bezwaar tegen de mededeling over brutering niet-ontvankelijk werd verklaard.