ECLI:NL:CRVB:2012:BX0220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstandsuitkering na ontslag en aanvraagprocedure
Appellant werd op staande voet ontslagen en meldde zich op 9 december 2008 bij het UWV, maar kon toen geen WW-uitkering aanvragen wegens het ontbreken van een geldig legitimatiebewijs. Pas op 14 april 2009 diende hij een aanvraag voor bijstand in, met het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2008.
De Raad oordeelt dat geen bewijs is geleverd dat appellant zich eerder, op 4 november 2008, bij het UWV heeft gemeld. Voor elke specifieke uitkering is een afzonderlijke aanvraag vereist en appellant heeft niet ondubbelzinnig te kennen gegeven bijstand te willen aanvragen op 9 december 2008. Zijn beroep op psychische problemen als belemmering voor het tijdig indienen van de aanvraag is niet met objectieve medische gegevens onderbouwd.
Ook is niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen derde had kunnen inschakelen om namens hem een aanvraag te doen. Het beroep op beleid van andere gemeenten en het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank dat bijstand pas wordt toegekend vanaf 2 april 2009, de datum van de aanvraag, en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de datum van de schriftelijke aanvraag en niet met terugwerkende kracht.