ECLI:NL:CRVB:2012:BX0570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6740 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding beslag op ziekengeld wegens ten onrechte ontvangen bijstand

Appellant had ziekengeld ontvangen op grond van de Ziektewet, waarop het college beslag legde wegens ten onrechte ontvangen bijstand ter hoogte van € 26.598,17. Appellant verzocht om kwijtschelding van deze openstaande vorderingen, maar het college wees dit verzoek af op grond van gemeentelijk beleid dat geen kwijtschelding verleent indien invordering via beslag plaatsvindt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep voerde appellant aan dat het beleid onredelijk is en dat hij ondanks zijn welwillendheid toch beslag werd gelegd, waardoor hij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Tevens stelde hij dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn uitzichtloze schuldsituatie en zorg voor minderjarige kinderen, een uitzondering rechtvaardigen.

De Raad oordeelde dat het gemeentelijke beleid binnen redelijke beleidsregels valt en dat het college pas tot beslaglegging overging nadat appellant niet aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. De financiële situatie van appellant en zijn persoonlijke omstandigheden vormen geen grond voor kwijtschelding. Bovendien is appellant beschermd door de beslagvrije voet volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Uitspraak

11/6740 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2011, 11/2867 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 3 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 10/841 WWB, 10/866 WWB en 11/668 WWB. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders en B.A. Veenendaal. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij brief van 21 september 2010 heeft het college beslag gelegd op het ingevolge de Ziektewet aan appellant toegekende ziekengeld ter zake van vorderingen op appellant op grond van ten onrechte ontvangen bijstand tot een bedrag van € 26.598,17.
1.2. Bij brief van 25 januari 2011 heeft appellant het college verzocht om kwijtschelding van de openstaande vorderingen.
1.3. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college het verzoek afgewezen.
1.4. Bij besluit van 28 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het volgende ten grondslag. Ingevolge het gemeentelijk beleid wordt geen kwijtschelding verleend, indien de invordering door middel van beslag plaatsvindt. Dit is hier het geval, zodat appellant niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het beleid van het college dat bij beslag geen kwijtschelding plaatsvindt, is onredelijk. Ondanks dat appellant nooit onwelwillend is geweest de vordering te voldoen, heeft het college toch beslag gelegd op zijn ziekengeld. Daardoor heeft het college zelf de situatie doen ontstaan dat appellant, op een voorwaarde na, niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Verder had op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering moeten worden gemaakt, nu hij tevergeefs heeft getracht het maandelijkse aflossingsbedrag verlaagd te krijgen en al jaren diep in de schulden zit, waardoor hij in een uitzichtloze situatie is geraakt. Dit heeft negatieve gevolgen voor zijn gezondheid. Verder heeft hij de zorg voor twee minderjarige kinderen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ter invulling van de bevoegdheid van het college tot kwijtschelding van vorderingen op grond van ten onrechte verleende bijstand zijn door het college beleidsregels vastgesteld en nader uitgewerkt in de Werkvoorschriften WWB. Dit beleid heeft met betrekking tot fraudevorderingen de strekking, dat van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering kan worden afgezien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en er geen sprake is van aflossing via dwanginvordering, bijvoorbeeld via een deurwaarder of vereenvoudigd (derden)beslag.
4.2. De stelling van appellant dat het beleid onredelijk is, treft geen doel. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 oktober 2011, LJN BU2135 - blijft deze beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
4.3. De stelling van appellant dat hij steeds welwillend is geweest de vordering te voldoen, het college toch beslag heeft gelegd op zijn ziekengeld en het college daardoor zelf de situatie heeft doen ontstaan dat appellant niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, treft evenmin doel. Het college is immers eerst tot beslaglegging overgegaan, nadat appellant de hem opgelegde terugbetalingsverplichtingen niet was nagekomen en op de invorderingsconsequenties was gewezen. Dat appellant door de beslaglegging niet voor kwijtschelding in aanmerking komt, dient daarom voor zijn rekening te blijven. Anders dan appellant heeft aangevoerd, was ook overigens niet aan de voorwaarden voldaan. Appellant heeft immers niet gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan.
4.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college op grond van bijzondere omstandigheden, in afwijking van het beleid, tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de restantvordering had behoren te besluiten. De financiële situatie die is ontstaan als gevolg van de ten onrechte verleende bijstand is geen grond om van verdere invordering af te zien. Bovendien wordt appellant beschermd door de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.C. Oomkens
HD