ECLI:NL:CRVB:2012:BX0597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 31 oktober 2006
Appellante had sinds 22 mei 2002 een WAO-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit werd deze uitkering per 17 maart 2006 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
Appellante vroeg opnieuw een WAO-uitkering aan wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid per 3 oktober 2006. Het UWV handhaafde het standpunt dat zij onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering per 31 oktober 2006. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten en beperkingen waren onderschat en dat de functies die zij kon vervullen haar belastbaarheid overschreden. De Raad oordeelde dat deze argumenten een herhaling waren van eerdere stellingen die reeds waren verworpen. De medische beoordeling van het UWV werd als juist beschouwd.
De Raad benadrukte dat het oordeel uitsluitend betrekking had op de situatie per 31 oktober 2006 en dat appellante bij latere toename van beperkingen een nieuwe aanvraag kon indienen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter Brand en leden Bolt en Hilhorst-Hagen op 6 juli 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering per 31 oktober 2006 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.