ECLI:NL:CRVB:2012:BX1503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- A.I. van der Kris
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering herziening Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant vroeg in 2006 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen in 2007 op basis van een arbeidsdeskundig rapport waarin werd vastgesteld dat appellant in staat was het minimumloon te verdienen. Bezwaar en beroep tegen deze beslissing werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank, bevestigd door de Raad in 2010.
In 2010 meldde appellant toegenomen medische klachten vanaf februari 2009 en verzocht om herziening van de uitkering. Het UWV weigerde dit, stellende dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van ongeschiktheid tot arbeid aan het einde van de wachttijd en dat hij niet ten minste zes maanden studerend was voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar baseerde zich daarbij op de per 1 januari 2010 gewijzigde Wet Wajong.
In hoger beroep stelde appellant dat de oude wetgeving van vóór 2010 van toepassing was omdat de datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid 1 februari 2009 betrof. De Raad oordeelde dat de beoordeling inderdaad aan de oude wet moest worden getoetst en bevestigde het bestreden besluit. De Raad concludeerde dat appellant aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid en niet voldeed aan de studieverplichting, waardoor de weigering van herziening rechtmatig was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank onder wijziging van de wettelijke grondslag en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van herziening van de Wajong-uitkering.