ECLI:NL:CRVB:2009:BK3730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en ongeschiktheid voor maatmanarbeid
Betrokkene, sinds zijn geboorte nierpatiënt, vroeg in juni 2003 een Wajong-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een arbeidsdeskundig rapport dat betrokkene in staat achtte om ten minste het minimumloon te verdienen met maatmanarbeid.
Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in mei 2006, bevestigde een arbeidsdeskundige dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning, onder meer omdat hij niet ten minste zes maanden studerend was voorafgaand aan de toename. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen, onder meer omdat betrokkene maximaal 28 uur per week zou kunnen werken. In hoger beroep wijzigde het UWV haar motivering en stelde dat betrokkene aan het einde van de wachttijd geschikt was voor maatmanarbeid, waardoor geen recht op Wajong-uitkering bestaat.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit wegens gebrekkige motivering vernietigd moet worden, maar dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens gebrekkige motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.