ECLI:NL:CRVB:2012:BX1595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering niet in strijd met EVRM en gelijkheidsbeginsel
Appellant had in 2007 studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Minister stelde bij besluit een vordering wegens meerinkomen vast en handhaafde deze na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat de vordering niet in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat er geen sprake was van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank zijn beroepsgronden onvoldoende had gemotiveerd en herhaalde zijn bezwaren, waaronder strijd met het Verdragsrecht en het gelijkheidsbeginsel. De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen omstandigheden had gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De Raad benadrukte dat de vordering in artikel 3.17 van de Wsf 2000 is begrensd en geen punitief karakter heeft, waardoor toetsing aan redelijkheid en evenredigheid in de zin van artikel 3:4 Awb Pro niet aan de orde is. Ook het beroep op ongelijke behandeling slaagde niet, omdat appellant zich in een andere situatie bevindt dan studerenden die hun studiefinanciering tijdig hebben stopgezet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.