ECLI:NL:CRVB:2012:BX2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering voorschot WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid niet voldoende gemotiveerd
Betrokkene werd op 1 augustus 2008 ontslagen wegens plichtsverzuim, namelijk het toe-eigenen van hout van de werkgever. Het UWV weigerde een voorschot op de WW-uitkering omdat verwacht werd dat het bezwaar tegen het ontslag ongegrond zou worden verklaard, wat verwijtbare werkloosheid zou betekenen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering gegrond wegens een ondeugdelijke motivering. Zowel het UWV als de werkgever gingen in hoger beroep, stellende dat er sprake was van ernstig plichtsverzuim en verwijtbare werkloosheid.
De Raad oordeelde dat de werkgever onvoldoende voortvarend had gehandeld na de gedraging van betrokkene en dat er onvoldoende indicaties waren voor een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro die ontslag op staande voet zou rechtvaardigen. Hierdoor was de weigering van het voorschot niet goed gemotiveerd.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen, rekening houdend met de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van het voorschot op de WW-uitkering wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.