ECLI:NL:CRVB:2012:BX2491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens vermogen in referteperiode
Appellant heeft vanaf 29 juni 1980 met onderbrekingen een bijstandsuitkering ontvangen. De bestuurscommissie heeft bij besluit van 31 maart 2008 de bijstand herzien en teruggevorderd wegens vermogen boven de vrijlatingsgrens, bestaande uit twee appartementen in Turkije die appellant op 13 september 2007 aan zijn zoons verkocht.
De aanvraag van appellant voor langdurigheidstoeslag 2009 werd op 1 februari 2010 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen vermogen had dat de toekenning in de weg stond.
De Raad oordeelt dat voor het recht op langdurigheidstoeslag niet het vermogen ten tijde van de aanvraag bepalend is, maar het vermogen gedurende de referteperiode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvraag. Appellant beschikte van december 2004 tot 13 september 2007 over vermogen boven de vrijlatingsgrens, waardoor niet aan de voorwaarden is voldaan. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag 2009 wordt afgewezen vanwege vermogen boven de vrijlatingsgrens in de referteperiode.