ECLI:NL:CRVB:2012:BX3038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden vanaf juni 2006
Appellant ontving vanaf 27 september 2004 een WAO-uitkering en vanaf 1 november 2006 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een fraudeonderzoek in 2009 trok het UWV de uitkering en toeslag in vanwege het niet kunnen vaststellen van het recht daarop, en vorderde het een bedrag van €44.619,85 terug over de periode 2004-2009.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO had toegepast vanaf 27 september 2004. Appellant stelde in hoger beroep dat hij tot halverwege 2006 niet kon werken en pas daarna hobbymatig piercings en tattoos zette, en dat hij dacht 20% bij te mogen verdienen zonder melding.
De Raad concludeerde dat appellant vanaf 16 juni 2006 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot, maar dat onvoldoende bewijs bestond dat dit al vanaf 2004 het geval was. Het UWV had een zorgvuldig onderzoek gedaan en appellant had niet tijdig gemeld, in strijd met artikel 80 WAO Pro en artikel 12 TW Pro. De Raad bepaalde dat het UWV pas vanaf 16 juni 2006 artikel 36a mocht toepassen en droeg het UWV op het besluit te herstellen binnen acht weken.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit aanpassen zodat de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering pas ingaat vanaf 16 juni 2006.