ECLI:NL:CRVB:2008:BD3450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rotttier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en schending hoorvereiste
Appellant ontving sinds 1997 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een onderzoek van het UWV naar mogelijke uitkeringsfraude bleek dat appellant vanaf 1998 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot zonder dit te melden. Het UWV schortte de uitkering op en trok deze met terugwerkende kracht in, waarna de onverschuldigd betaalde bedragen werden teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarbij werd aangevoerd dat het horen in bezwaar niet door een onafhankelijke persoon had plaatsgevonden, wat volgens artikel 7:5 Awb Pro vereist is. De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er wel sprake is van schending van dit hoorvereiste doordat de hoorder betrokken was bij de voorbereiding van het besluit.
Desondanks laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt te presenteren en de inhoudelijke gronden voor intrekking en terugvordering juist zijn. Uit getuigenverklaringen en observaties blijkt dat appellant werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, waardoor het UWV het recht op uitkering niet kon vaststellen. Het verzoek van appellant om aanvullende specificaties werd afgewezen vanwege het late tijdstip en gebrek aan onderbouwing.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Hiermee wordt het besluit vernietigd vanwege procedurele schending, maar de materiële gevolgen blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens schending van het hoorvereiste, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.