ECLI:NL:CRVB:2012:BX3182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Bbz-uitkering, die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zijn afgewezen wegens het ontbreken van levensvatbaarheid van zijn bedrijf. Na eerdere afwijzingen in 2008 en 2009, diende appellant op 5 augustus 2009 opnieuw een aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn onderneming wel levensvatbaar is, dat zijn omzet in 2009 door de financiële crisis was gedaald, en dat het college hem een hersteltermijn had moeten bieden voor het indienen van een doorstartplan. Tevens voerde hij aan dat het college hem had moeten wijzen op de mogelijkheid van herleving van zijn WW-recht en dat een gespecialiseerd onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat zijn bedrijf levensvatbaar was op het relevante tijdstip, en dat de lagere omzet door de crisis dit niet wijzigde. Het college was niet verplicht een nieuw onderzoek te laten uitvoeren. Ook was een hersteltermijn niet noodzakelijk omdat appellant had aangegeven geen doorstartplan te kunnen overleggen. De Raad bevestigde dat appellant was gewezen op de herleving van het WW-recht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Bbz-aanvraag wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden en levensvatbaarheid van het bedrijf.