ECLI:NL:CRVB:2012:BX3419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WWB-arbeidsverplichtingen
Appellante ontvangt sinds 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met diverse arbeidsverplichtingen. Vanwege medische omstandigheden werd zij voor een periode ontheven van enkele arbeidsverplichtingen, maar niet van alle. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit dat haar niet onthef van alle verplichtingen verleende, met name de verplichtingen die betrekking hebben op het nalaten van belemmeringen voor arbeidsinschakeling en medewerking aan onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat ook ontheffing van de overige arbeidsverplichtingen had moeten worden verleend. Tijdens de zitting gaf het college aan dat het niet langer standhoudt dat ontheffing van die verplichtingen onmogelijk is en dat de ontheffingsperiode inmiddels is verstreken. Het college heeft appellante geen maatregelen opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichtingen en heeft toegezegd de bezwaarkosten te vergoeden.
De Raad concludeert dat appellante geen voldoende procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten is ingewilligd en de ontheffingsperiode voorbij is. Zonder concreet belang is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is het college veroordeeld in de kosten van appellante, terwijl het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.