ECLI:NL:CRVB:2012:BX3457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het UWV kende appellant een voorschot toe op de uitkering vanwege onzekerheid over het recht hierop. Later werd het voorschot van ruim €107.000 teruggevorderd omdat appellant geen recht had op de uitkering.
Appellant voerde aan dat de terugvordering niet op artikel 36 van Pro de WW gebaseerd kon worden, maar op het verbintenissenrecht, en stelde dat er sprake was van een bijzonder geval dat terugvordering onredelijk maakte. Tevens wees hij op gebrekkige informatieverstrekking door het UWV en zijn financiële situatie.
De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was het voorschot te verlenen gezien de onzekerheid over het recht op uitkering en dat de terugvordering terecht op artikel 36 van Pro de WW was gebaseerd. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en ook geen bijzonder geval dat strikte toepassing van de wet in strijd met ongeschreven recht bracht.
Hoewel het UWV adequater had kunnen reageren op informatie van appellant, woog dit niet op tegen het verwijtbare gedrag van appellant dat mede leidde tot de hoge vordering. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het voorschot op de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.