ECLI:NL:CRVB:2012:BX3768

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1119 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit Einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant had een WAO-uitkering die op 5 januari 2009 werd herzien door het UWV, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 35 tot 45% in plaats van 80 tot 100%. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsarts Niemeijer en bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen, die op basis van eigen onderzoek en aanvullende informatie tot het oordeel kwamen dat er wel beperkingen zijn in het persoonlijk en sociaal functioneren, maar geen urenbeperking geïndiceerd is. Er waren geen nieuwe medische feiten of inzichten die een andere beoordeling zouden rechtvaardigen.

Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan en herhaalde zijn standpunt dat de herziening ten onrechte met ingang van 6 maart 2009 was vastgesteld, omdat na die datum aanvullende informatie was ingewonnen. De Raad verwierp dit en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook werd geoordeeld dat de ingangsdatum van de herziening in overeenstemming is met het toepasselijke Besluit Einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 augustus 2012.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 6 maart 2009.

Uitspraak

11/1119 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 januari 2011, 09/413 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 1 augustus 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2012. Appellant en mr. Dieters zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 januari 2009 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 maart 2009 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 11 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van
5 januari 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser op het spreekuur is gezien door verzekeringsarts Niemeijer en bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en de in bezwaar ontvangen informatie voldoende overtuigend toegelicht dat er weliswaar aanleiding bestaat om op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren enkele beperkingen aan te nemen, maar dat een urenbeperking niet geïndiceerd is. In dat verband overweegt de rechtbank dat er geen nieuwe medische feiten of inzichten zijn aangedragen die zouden moeten leiden tot een andere beoordeling.
Voor het standpunt dat eiser in het geval er eerst in de bezwaarfase medische informatie wordt meegewogen deswege herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid per de bij primair besluit vastgestelde datum niet zou kunnen plaatsvinden, vindt de rechtbank in de jurisprudentie geen aanknopingspunten.
Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot eiser vastgestelde medische beperkingen is de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor eiser in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Coerts van 7 mei 2009.”
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald, onder meer inhoudend dat zijn uitkering ten onrechte is herzien met ingang van 6 maart 2009, omdat eerst na die datum informatie bij de behandelende sector is ingewonnen, op basis waarvan de functionele mogelijkhedenlijst is aangepast door de bezwaarverzekeringsarts.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep geen andere gronden aangevoerd dan bij de rechtbank. De Raad kan zich geheel verenigen met wat de rechtbank daarover heeft overwogen. De Raad volstaat daarom met een verwijzing naar de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en neemt die over. De Raad voegt daaraan toe dat er geen aanleiding is om de ingangsdatum van de herziening van de WAO-uitkering van appellant op een later moment dan 6 maart 2009 te stellen, nu die datum in overeenstemming met het Besluit Einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999 is bepaald met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit van
5 januari 2009 is verzonden, en er geen omstandigheden zijn die een latere aanvang van de uitlooptermijn zouden kunnen rechtvaardigen.
4.2. Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) L. van Eijndthoven
RK