ECLI:NL:CRVB:2012:BX3991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid bij ontslag tijdens proeftijd en nulurencontract
Appellante was sinds 2 februari 2009 aangewezen voor een WW-uitkering op basis van 24 uur arbeidsverlies per week. Zij trad op 18 november 2009 in dienst bij haar werkgever voor 32 uur per week met een proeftijd van een maand. Op 11 december 2009 gaf zij aan het werk te willen stoppen, maar stemde toe om tot 1 januari 2010 te blijven. Op 29 december 2009 sloot zij een nulurencontract met de werkgever.
Het UWV beëindigde haar WW-uitkering per 23 november 2009, maar wees haar erop dat zij bij hernieuwde werkloosheid vóór 23 mei 2010 herleving kon aanvragen. Appellante vroeg op 24 december 2009 telefonisch herleving aan met ingang van 1 januari 2010, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij geen relevant arbeidsurenverlies had en verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij per 1 januari 2010 niet werkloos was. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanaf februari 2010 minder uren werkte en dat zij tijdens de proeftijd ontslag mocht nemen zonder verwijtbaarheid. Ook beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel vanwege een telefoongesprek met een UWV-medewerkster.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van arbeidsurenverlies per 1 januari 2010 en dat het ontslag niet gerechtvaardigd was omdat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs van appellante kon worden verlangd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezegging was gedaan dat de WW-uitkering zou herleven. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en geen recht heeft op herleving van haar WW-uitkering.