ECLI:NL:CRVB:2012:BX6059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-voorschot wegens onjuiste uitleg artikel 16 WW
Appellante was werkzaam bij twee werkgevers en meldde zich ziek waarna zij een WW-voorschot aanvraagt. Het UWV berekende het voorschot op basis van een arbeidsurenverlies van vijf uur per week, waarbij de uren bij een van de werkgevers buiten beschouwing werden gelaten omdat appellante daar niet minimaal 26 weken had gewerkt voorafgaand aan de werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV terecht de uren bij die werkgever niet had meegeteld. In hoger beroep stelde appellante dat zij al sinds 2000 bij die werkgever werkte en dat het UWV onterecht geen rekening hield met die dienstbetrekking.
De Raad oordeelt dat artikel 16, tweede lid, WW niet vereist dat de werkzaamheden gedurende een bepaalde periode zijn verricht, maar dat het gaat om het gemiddeld aantal arbeidsuren in de 26 weken voorafgaand aan het intreden van het arbeidsurenverlies. Omdat appellante in die periode geen werkzaamheden verrichtte bij die werkgever, is het arbeidsurenverlies terecht vastgesteld op vijf uur per week.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV wegens ondeugdelijke motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.