ECLI:NL:CRVB:2012:BX6069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd
Appellant werd op staande voet ontslagen wegens vermeend fysiek geweld tegen een collega, waarna het UWV zijn WW-uitkering weigerde wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende onderzoek door het UWV.
Na een aanvullend onderzoek handhaafde het UWV de weigering, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het aanvullende onderzoek niet voldoende was, omdat het zich beperkte tot herhaling van eerdere gesprekken met de directeur van de werkgever en geen getuigen werden gehoord.
De Raad stelde vast dat er onvoldoende bewijs was dat appellant zich schuldig had gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat het UWV ten onrechte de WW-uitkering had geweigerd. De zaak werd terugverwezen naar het UWV om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen dat rekening houdt met de bevindingen van de Raad.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid; het besluit wordt vernietigd en terugverwezen voor een nieuwe beslissing.