ECLI:NL:CRVB:2012:BX6119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, terwijl het college meende dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand. De sociale recherche voerde een onderzoek uit, inclusief huisbezoeken en getuigenverklaringen, die het college als bewijs gebruikte.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat uit verklaringen van buurtbewoners en bevindingen van huisbezoeken bleek dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellanten betwistten dit in hoger beroep, stellende dat appellant een latrelatie had en elders woonde.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van getuigen niet eenduidig en onvoldoende concreet zijn, mede door het tijdsverloop en het ontbreken van feitelijke waarnemingen. Ook de aanwezigheid van kleding en administratie van appellant in de woning van appellante is onvoldoende om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Het college en rechtbank hebben onvoldoende grondslag voor hun besluiten.
Daarom vernietigt de Raad de bestreden besluiten en herroept deze. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.