9.1.De commissie heeft geadviseerd de terugvordering te matigen, omdat de bijstand onnodig lang is verstrekt door na overdracht voor het strafrechtelijk onderzoek de bijstand niet te beëindigen. Het college heeft de vordering gematigd naar € 64.912,10, door de periode vanaf 1 september 2022 (binnenkomen van de anonieme tip op 13 september 2022) tot 30 juni 2023 (start strafrechtelijk onderzoek op 22 juni 2023) niet mee te nemen in de terugvordering.
Bevoegdheid van de toezichthouder
10. Eiser stelt dat het onderzoek is verricht door een onbevoegd persoon, waardoor de onderzoeksbevindingen niet ten grondslag gelegd kunnen worden aan de besluitvorming. Het college heeft dit in de bezwaarfase gerepareerd door de toezichthouder met terugwerkende kracht te benoemen. Eiser stelt dat daarmee nog steeds sprake is van door een onbevoegd persoon verrichte onderzoekshandelingen. Het bewijs dat uit deze onderzoekshandelingen voortvloeit is volgens eiser dus onrechtmatig verkregen en kan niet worden meegenomen in het onderzoek. Door eiser wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Zij stelt, met eiser, vast dat de toezichthouder niet bevoegd was voor het vorderen van inlichtingen bij ABN AMRO bank in het kader van artikel 5:17 van de Awb omdat hij ten tijde van het vorderen daarvan niet (op de juiste wijze) was aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artikel 76a Participatiewet. Voor de overige onderzoekshandelingen (het verrichten van waarnemingen) is geen sprake van onbevoegdheid van de toezichthouder. De toezichthouder was daarvoor immers bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 53a, zesde lid, van de Pw.Krachtens het bepaalde in genoemd artikellid is het college bevoegd onderzoek in te stellen. Uit de stukken volgt dat [naam] als medewerker gemandateerd was om dit onderzoek namens het college uit te voeren.
12. Het college heeft de eerdere, gebrekkige, aanwijzing uit 2022 willen herstellen en deze bij besluit van 16 juli 2024 bekrachtigd. Deze bekrachtiging maakt evenwel niet dat het vorderen van inlichtingen bij de bank alsnog voor rechtmatig moet worden gehouden. De van ABN AMRO bank gevorderde bankafschriften dienen dan ook aangemerkt te worden als onrechtmatig verkregen bewijs. Dit betekent echter niet dat de bankafschriften niet als bewijsmiddel gebezigd mogen worden. Naar vaste rechtspraakgeldt dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien deze bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake, aangezien het hier gaat om inlichtingen, die het college ook op rechtmatige wijze had kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door ze van eiser zelf te vorderen. Dit betekent dat de bij de bank gevorderde bankafschriften naar het oordeel van de rechtbank als bewijsmiddel gebezigd mochten worden in het onderzoek en ten grondslag mochten worden gelegd aan de besluitvorming.
Schending inlichtingenplicht
13. Eiser stelt dat in het bestreden besluit van 15 augustus 2024 ten onrechte wordt vermeld dat hij erkend heeft dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Deze erkenning geldt volgens eiser alleen voor de observaties in 2023, niet voor de gehele periode. Ook wordt in de beslissing op bezwaar verwezen naar een verklaring van een werknemer van [bedrijf 2] . Het gaat om een anonieme getuige die daarom niet kan worden meegenomen, omdat de verklaring niet kan worden geverifieerd. Verwezen wordt naar uitspraken van de Raad.
Het recht op bijstand kan volgens eiser wel worden bepaald. Ten aanzien van de stortingen vermeldt eiser dat hij heeft verklaard muntgeld op te sparen totdat de spaarbus vol is. Uit de bankafschriften blijkt ook dat kosten voor muntgeldstortingen in rekening worden gebracht. Het is niet aannemelijk dat eiser in kleingeld is uitbetaald. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Raad van 3 mei 2016.Ook is het recht ten onrechte pas ingetrokken per besluit van 29 februari 2024, dat is geruime tijd na het afronden van het onderzoek door het college.
Periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022
15. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken. De onderzoeksbevindingen die aan deze periode ten grondslag zijn gelegd, zijn hiervoor onvoldoende. Het college baseert zich grotendeels op de muntgeldstortingen en de volgens het college wisselende verklaringen van eiser over het sparen van het muntgeld. De hoogte van de bedragen in deze periode is naar het oordeel van de rechtbank echter niet dusdanig dat deze de conclusie van het college kunnen rechtvaardigen, te minder nu de verklaring van eiser dat hij zijn wisselgeld spaarde in een bus en op gezette tijden stortte op de bank (wat ook blijkt uit de omschrijvingen op de bankafschriften) op voorhand niet onaannemelijk is.
16. Met uitzondering van de maanden juli 2020 en november 2020, waarbij bedragen van € 900,00 respectievelijk € 730,68 zijn gestort, gaat het in deze periode om een bedrag van gemiddeld rond de € 130,00 per maand. Eiser heeft gemotiveerd toegelicht dat hij zijn uitkering contant opnam en dat hij muntgeld overhield bij het boodschappen doen en dat muntgeld in een pot bewaarde. Uit de omschrijvingen bij de stortingen blijkt dat het inderdaad gaat om muntgeldstortingen. Ook is uit de rekeningafschriften af te leiden dat eiser zijn bijstandsuitkering vaak contant opnam.
17. Het college baseert zich verder op de anonieme verklaring van een getuige van [bedrijf 2] van 24 oktober 2023 waarin de getuige als volgt heeft verklaard: “
denk wel dat hij daar werkzaam is” en “
ik er werk er bijna 10 jaar, zolang ik mij kan herinneren is hij er ook”. Deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteund door de overige onderzoeksbevindingen in deze periode, en is bovendien weinig concreet en niet helder, nu de getuige slechts ‘denkt’ dat eiser werkzaam is geweest.
Periode vanaf 26 september 2022
18. Dit is anders voor de periode vanaf 26 september 2022. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voor de periode vanaf 26 september 2022 aannemelijk gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door daar geen melding van te maken. Eiser is vanaf deze periode tijdens de waarnemingen en observaties met regelmaat aan het werk gezien. De aanwezigheid van een betrokkene op een werkplek tijdens gebruikelijke arbeidsuren rechtvaardigt volgens vaste rechtspraakde vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is dan aan de betrokkene, in dit geval eiser, om aannemelijk te maken dat dat niet zo was. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft hier enkel tegen over gezet dat hij “vaak bij de jongens” hangt en zeven á acht dagen in 2023 vrijwilligerswerk heeft gedaan.
Periode van inactiviteit?
19. Het standpunt van eiser dat het college al vanaf de datum van de overgang naar het strafrechtelijk onderzoek op 22 juni 2023 de uitkering had moeten beëindigen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Om de bijstand te kunnen beëindigen moet het bijstandsverlenend orgaan de nodige kennis over de relevante feiten vergaren, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan om de bijstand te beëindigen. Uit het dossier is af te leiden dat de onderzoeksbevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek mede ten grondslag zijn gelegd aan de besluitvorming van het college. Door het Openbaar Ministerie is akkoord gegeven om de onderzoeksbevindingen te gebruiken in het bestuurlijk onderzoek. Pas na afronding van het strafrechtelijk onderzoek heeft het college op 12 februari 2024 een hoorgesprek met eiser gehouden. Daarmee is dus niet aannemelijk dat het college voor de start van het strafrechtelijk onderzoek al voldoende aanwijzingen had dat het recht op een uitkering kon worden beëindigd.
20. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijstand over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 ten onrechte ingetrokken. Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de uitkering voor wat betreft deze periode slaagt. Het besluit van 15 augustus 2024 wordt vernietigd.
21. Volgens eiser is het terug te vorderen bedrag ten onrechte niet gematigd vanaf 1 juli 2023 (start strafrechtelijk onderzoek) tot 1 maart 2024. Volgens eiser gelden de argumenten van de commissie om te matigen ook voor die periode.