ECLI:NL:CRVB:2012:BX6549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bezwaarprocedure WAO-uitkering
Appellant had een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure tegen een herzieningsbesluit van zijn WAO-uitkering. Het UWV had dit verzoek afgewezen, stellende dat een vergoeding pas aan de orde is na een procedure bij de rechter.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn in de bezwaarprocedure met ruim een maand was overschreden, maar vond dat appellant mede oorzaak was van de vertraging. In hoger beroep betwistte appellant dit en vorderde een vergoeding van € 500,-.
De Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro alleen betrekking heeft op de behandeling van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter en niet op de bezwaarprocedure zelf. Pas wanneer het geschil aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de bezwaarprocedure meegewogen in de termijnbeoordeling. Omdat appellant ten tijde van zijn verzoek nog geen beroep bij de rechtbank had ingesteld, kon geen aanspraak op vergoeding worden gemaakt.
De Raad constateerde verder dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim twee jaar en tien maanden duurde, wat de redelijke termijn van twee jaar overschrijdt. De Staat had een vergoeding van € 1000,- aangeboden, waarmee de immateriële schade naar rechtspraaknormen was vergoed.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.