ECLI:NL:CRVB:2012:BX6549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7099 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bezwaarprocedure WAO-uitkering

Appellant had een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure tegen een herzieningsbesluit van zijn WAO-uitkering. Het UWV had dit verzoek afgewezen, stellende dat een vergoeding pas aan de orde is na een procedure bij de rechter.

De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn in de bezwaarprocedure met ruim een maand was overschreden, maar vond dat appellant mede oorzaak was van de vertraging. In hoger beroep betwistte appellant dit en vorderde een vergoeding van € 500,-.

De Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro alleen betrekking heeft op de behandeling van een geschil binnen een redelijke termijn door de rechter en niet op de bezwaarprocedure zelf. Pas wanneer het geschil aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de bezwaarprocedure meegewogen in de termijnbeoordeling. Omdat appellant ten tijde van zijn verzoek nog geen beroep bij de rechtbank had ingesteld, kon geen aanspraak op vergoeding worden gemaakt.

De Raad constateerde verder dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim twee jaar en tien maanden duurde, wat de redelijke termijn van twee jaar overschrijdt. De Staat had een vergoeding van € 1000,- aangeboden, waarmee de immateriële schade naar rechtspraaknormen was vergoed.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

11/7099 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2011, 09/3201 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgehad met dat in de zaak 11/7096 WAO op 18 juli 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. J. Reith.
Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 januari 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 9 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant op 19 augustus 2009 beroep ingesteld.
1.2. Bij brief van 10 juli 2009 heeft appellant het Uwv verzocht aan hem schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat nog geen beslissing is genomen op het bezwaar van appellant en sinds de indiening van dat bezwaar meer dan een half jaar is verstreken. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. De Raad leest het besluit zo dat het Uwv primair van opvatting is dat eerst sprake kan zijn van schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn na de procedure bij de rechtbank. Subsidiair heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat van traagheid in de bezwaarprocedure geen sprake is geweest omdat de overschrijding van de bezwaartermijn alleszins is te rechtvaardigen. Appellant heeft tegen het besluit van 28 juli 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met ruim één maand overschreden. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat de procedure in bezwaar mede door toedoen van appellant langer heeft geduurd en dat daarin een rechtvaardiging kan worden gevonden voor de termijnoverschrijding.
3. In hoger beroep heeft appellant bestreden dat hij de vertraging van de behandeling van het bezwaar in de hand zou hebben gewerkt. Hij heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het EVRM.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 28 april 2009, LJN BI2748) heeft artikel 6 van Pro het EVRM betrekking op de behandeling binnen een redelijke termijn van een geschil door de rechter en niet op de behandeling van een bezwaarschrift door een bestuursorgaan. Wel wordt, indien tegen een beslissing op bezwaar beroep wordt ingesteld, de bezwaarfase betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is daarbij van belang dat de bezwaarfase een in beginsel verplichte procedure is voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Op deze grond wordt een bestuursorgaan in voorkomende gevallen veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens zijn aandeel (als gevolg van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase) in de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.
4.2. Ten tijde van het indienen van het verzoek om schadevergoeding op 10 juli 2009 en ten tijde van het nemen van het besluit van 28 juli 2009, zoals hiervoor onder 1.2 vermeld, had appellant tegen de beslissing op bezwaar van 9 juli 2009 nog geen beroepschrift bij de rechtbank ingediend. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen kan aan artikel 6 van Pro het EVRM geen aanspraak worden ontleend in de situatie waarin sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd. Dit betekent dat het primaire standpunt van het Uwv juist is en het verzoek van appellant om immateriële schade terecht is afgewezen. Het subsidiaire standpunt behoeft daarom geen bespreking.
4.3. De Raad merkt ten overvloede nog op dat de totale duur van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 18 december 2008 tot de uitspraak van de rechtbank op 28 oktober 2011 twee jaar en tien maanden heeft geduurd. De redelijke termijn van twee jaar (voor de behandeling van een bezwaarschrift door het Uwv en een beroep door de rechtbank tezamen) is dan ook met tien maanden overschreden. Uit de bij de Raad bekend geworden uitspraak van de rechtbank van 25 januari 2012, 09/2403, blijkt dat de Staat heeft erkend dat de redelijke termijn is overschreden en een vergoeding van immateriële schade aan appellant heeft aangeboden van € 1000,-. Daarmee is ook de schade van appellant die het gevolg is geweest van de te trage behandeling van zijn bezwaarschrift volgens de uit de rechtspraak van de Raad voortvloeiende normen geheel vergoed.
4.5. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012.
(getekend) G.AJ. van den Hurk
(getekend) E. Heemsbergen