ECLI:NL:CRVB:2012:BX7081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mindering nar-uitkering op WW-uitkering bij afvloeiingsregeling
Betrokkene werd werkloos doordat zijn functie verviel en er geen passende functie beschikbaar was. Hij sloot met zijn werkgever een non-activiteitsovereenkomst waarin een nar-uitkering werd toegekend als compensatie voor het wegvallen van zijn inkomen tot aan zijn pensioen.
Appellant, het UWV, bracht deze nar-uitkering in mindering op de WW-uitkering, stellende dat het een uitkering gelijkgesteld aan een ouderdomspensioen betrof op grond van artikel 34 WW Pro. De rechtbank oordeelde anders en verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond, waarbij zij de nar-uitkering karakteriseerde als een afvloeiingsregeling die niet onder de anticumulatieregeling valt.
De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de nar-uitkering een individuele regeling is ter beëindiging van het geschil over de arbeidsovereenkomst en de financiële gevolgen van het wegvallen van het inkomen. De uitkering is niet toegekend in verband met het einde van het arbeidsleven, maar als compensatie bij reorganisatie. De mindering op de WW-uitkering was daarom onterecht.
De Raad wijst erop dat de inhoud van de overeenkomst het mogelijk maakt dat de nar-uitkering als aanvulling op een WW-uitkering kan worden verstrekt en dat anticumulatie in dit kader achterwege moet blijven. Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mindering van de nar-uitkering op de WW-uitkering was onterecht; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.