ECLI:NL:CRVB:2012:BX7295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en gaf op dat zij woonachtig was op een bepaald uitkeringsadres. Naar aanleiding van signalen dat zij en haar gezin niet op dat adres verbleven, startte het college een onderzoek, waarbij onder meer een wijkagent onderzoek deed. Het college trok de bijstand in over de periode 1 juli 2009 tot en met 17 mei 2010, vorderde de bijstandskosten terug en legde een maatregel op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank oordeelde dat appellante in de meeste perioden niet woonde op het opgegeven adres en bevestigde de intrekking en terugvordering, met uitzondering van een korte periode waarin zij wel aanwezig was. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraken en voerde onder meer aan dat de verklaring van de wijkagent niet betrouwbaar was en dat terugvordering onredelijk was.
De Raad hechtte zwaar aan de eigen waarnemingen van de wijkagent, die constateerde dat appellante en haar gezin gedurende de onderzochte periode afwezig waren, wat afweek van eerdere periodes met veel contact en overlast. De Raad verwierp de stelling van appellante dat zij onzichtbaar in de woning verbleef, mede gezien het gezin met vijf kinderen. Ook het medisch attest van de huisarts werd niet geloofwaardig geacht.
De Raad concludeerde dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en maatregel worden bevestigd.