ECLI:NL:CRVB:2012:BX7807

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-462 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 3 Wet WIA
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens ongeschiktheid maatmanfunctie

Appellante, die in december 2005 een Gastric Bypass operatie onderging, meldde zich ziek in maart 2008 vanwege fysieke klachten. Zij had sinds maart 2007 diverse kortdurende werkzaamheden verricht via uitzendbureaus. In het kader van haar WIA-aanvraag stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op met aanzienlijke beperkingen, leidend tot een urenbeperking van twintig uur per week. De arbeidsdeskundige achtte het schoonmaakwerk en andere voltijdse functies ongeschikt, maar vond haar werk als inpakker voor 20 uur per week passend als maatmanfunctie.

Het UWV besloot daarom geen WIA-uitkering toe te kennen. In bezwaar werden de beperkingen aangescherpt en werd geconcludeerd dat ook het werk als inpakker niet geschikt was. De arbeidsdeskundige stelde de functie van routechauffeur als fictieve maatmanfunctie vast, met een verlies aan verdienvermogen van 24,01%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en concludeerde dat appellante bij aanvang van haar verzekering al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.

In hoger beroep beperkte de Centrale Raad van Beroep zich tot de vraag welke maatmanfunctie moet worden aangehouden. De Raad oordeelde dat het UWV terecht artikel 46, derde lid, van de Wet WIA toepaste en dat onvoldoende aanwijzingen bestonden om af te wijken van de hoofdregel dat het laatst verrichte werk als maatman geldt. Ondanks frequent ziekteverzuim concludeerde de Raad dat de redenen van beëindiging van werkzaamheden, mede door fysieke klachten, juist waren vastgesteld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende geschiktheid voor de voorgestelde maatmanfunctie.

Uitspraak

11/462 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 december 2010, 10/2811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 14 september 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft R. [R.] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij rapporten overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts van 8 maart 2011 en de bezwaararbeidsdeskundige van 15 maart 2010 (lees 2011).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012.
Appellante is verschenen, bijgestaan door de heer [R.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
1. Appellante, die in december 2005 een Gastric Bypass operatie heeft ondergaan, meldde zich met ingang van 3 maart 2008 ziek als gevolg van gewrichts- en vermoeidheidsklachten voor haar op 28 januari 2008 aangevangen werk als schoonmaakster via een uitzendbureau. Daarvoor is zij in het tijdvak van maart 2007 tot 30 december 2007 kortere of langere perioden via uitzendbureaus werkzaam geweest bij verschillende werkgevers in verschillende functies.
2. In het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 4 december 2009 door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld met forse lichamelijke en energetische beperkingen. De energetische beperkingen leidden tot vaststelling van een urenbeperking tot vier uur per dag en twintig uur per week. Volgens de verzekeringsarts zijn deze beperkingen grotendeels ontstaan na de operatie in december 2005. De FML gold zowel bij het einde van de wachttijd als in elk geval op 23 maart 2007, de dag waarop appellante opnieuw verzekerd werd ingevolge de Wet WIA. De arbeidsdeskundige achtte in een rapport van 5 maart 2010 het werk van appellante als schoonmaakster, gezien de FML, ongeschikt. Hetzelfde gold voor haar voltijdse werk van 12 juni 2007 tot 18 augustus 2007 bij [werkgever 1] en van 20 augustus 2007 tot 30 december 2007 bij [werkgever 2]. Wel achtte de arbeidsdeskundige haar werk als inpakker voor 20 uur per week vanaf 26 maart 2007 bij inlener [inlener] in overeenstemming met de FML en merkte hij dit werk aan als haar maatmanfunctie. Omdat de FML voor aanvang van dit werk gelijk was aan de FML bij het einde van de wachttijd, concludeerde de arbeidsdeskundige dat appellante op laatst vermeld moment eveneens geschikt was voor de maatmanfunctie. In overeenstemming met deze conclusie stelde het Uwv bij besluit van 10 maart 2010 vast dat voor appellante met ingang van 1 maart 2010 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA was ontstaan.
3. In de bezwaarprocedure wijzigde de bezwaarverzekeringsarts om reden van de ernst van de artrose, de problemen daarbij als gevolg van hypermobiliteit en de huidproblemen de FML in die zin dat zwaardere beperkingen werden gesteld bij de onderdelen lopen en lopen tijdens het werk. In een rapport van 21 juli 2010 stelde de bezwaararbeidsdeskundige vast dat ook het werk bij inlener [inlener], gelet op de verklaring van appellante ter hoorzitting en op het overzicht van haar werkzaamheden in een extern rapport inzake een [werkgever 3] van 9 september 2008 met vermelding van telkens de reden van beëindiging, niet geschikt was als maatmanfunctie omdat zij ook dit moest staken wegens fysieke klachten. De bezwaararbeidsdeskundige stelde op basis van geselecteerde functies bij aanvang van de verzekering als (fictieve) maatman vast de functie van routechauffeur voor 20 uur per week. Voorts achtte hij appellante primair bij einde wachttijd geschikt voor deze maatmanfunctie en berekende hij subsidiair dat bij functieduiding bij einde wachttijd het verlies aan verdienvermogen van appellante ten opzichte van deze maatman 24,01% bedroeg. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 27 juli 2010 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 maart 2010 ongegrond.
4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4.2. De rechtbank concludeerde dat appellante, gezien het feit dat zij aangaf dat de door haar aangevangen werkzaamheden sedert 26 maart 2007 telkens uiteindelijk te zwaar voor haar bleken te zijn, bij aanvang van haar verzekering op grond van de Wet WIA reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat de door het Uwv daaraan verbonden arbeidskundige gevolgen met betrekking tot de vaststelling van de maatmanfunctie dienden te worden aanvaard.
5. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep reeds voorgedragen standpunt in essentie herhaald. Het komt er op neer dat appellante van mening is dat haar werkzaamheden bij [werkgever 1] en [werkgever 2] als haar maatmanfunctie dienen te worden beschouwd, dan wel haar werk bij inlener [inlener].
6.1. De Raad stelt voorop dat namens appellante ter zitting is verklaard dat in hoger beroep alleen het verschil van mening tussen haar en het Uwv over de in dit geval aan te houden maatmanfunctie aan de orde is. De Raad zal zich bij de boordeling van het hoger beroep dan ook beperken tot dit punt van geschil.
6.2. De Raad heeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven over het bestreden besluit. De Raad wijst erop dat, zoals ter zitting van de rechtbank ook namens het Uwv is gesteld, bij de vaststelling van de maatman in het bestreden besluit artikel 46, derde lid, van de Wet WIA, welk artikel tot 1 januari 2011 gold, is toegepast. Volgens vaste onder de toepassing van de WAO geldende rechtspraak dienen voor het afwijken van de hoofdregel dat als maatman heeft te gelden het laatstelijk voor uitval verrichte werk, voldoende en ondubbelzinnige indicaties te gelden voor het bestaan van een reële ongeschiktheid bij de aanvang van dat werk en ziet de Raad geen aanleiding daarover bij de toepassing van artikel 46, derde lid, van de Wet WIA op zich zelf anders te oordelen.
6.3. Met de rechtbank moet weliswaar worden vastgesteld dat appellante, afgaande op de verzuimhistorie, zoals vermeld in een formulier van het Uwv met het opschrift “Probleemverkenning”, wel een frequent, maar niet een extreem langdurig ziekteverzuim heeft gehad in de periode in 2007 dat zij werkzaamheden verrichtte. In dit bijzondere geval heeft de rechtbank, gelet op de redenen van beëindiging van haar achtereenvolgende werkzaamheden, vermeld in het in overweging 3 genoemde externe rapport, niettemin terecht geconcludeerd als in overweging 4.2 weergegeven. De redenen van het telkens beëindigen van aangevangen werk waren onder andere, zoals ook ter zitting van de rechtbank namens het Uwv is vermeld en ter zitting van de Raad is bevestigd, gelegen in de fysieke klachten van appellante en in het feit dat het werk uiteindelijk steeds te zwaar bleek. Deze redenen komen ook naar voren uit de gedingstukken en zijn ter zitting van de Raad door appellante zelf in feite bevestigd. Onder deze bijzondere omstandigheden heeft het Uwv, ondanks het hiervoor vermelde over het feitelijk ziekteverzuim, terecht met toepassing van artikel 46, derde lid, van de Wet WIA als maatman niet aangemerkt de door appellante voorgestane functies.
6.4. De overweging 6.2 en 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd
7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) J.R. Baas
CVG