ECLI:NL:CRVB:2012:BX9046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant, voormalig hovenier, meldde zich ziek in 2001 na een auto-ongeval en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na een beoordeling in 2002 werd een WAO-uitkering geweigerd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2005 meldde appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt en vroeg een WAO-uitkering aan.
Medische onderzoeken in 2005 en 2006, waaronder rapportages van verzekeringsartsen en psychiaters, concludeerden dat er geen toename van beperkingen was ten opzichte van 2002. Op basis hiervan kende het UWV een WAO-uitkering toe, die later per 1 april 2006 werd ingetrokken wegens strijd met artikel 43a van de WAO.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat er geen aanwijzingen zijn voor toegenomen beperkingen en dat de intrekking terecht is. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 1 april 2006 wordt bevestigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.