ECLI:NL:CRVB:2012:BX9884

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4828 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:72 AwbArt. 43a WAO
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep inzake herziening WAO-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van de werkgever tegen een herzieningsbesluit van het UWV betrof. Het UWV had de WAO-uitkering van appellante herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellante had haar eigen beroep tegen het herzieningsbesluit bij de rechtbank ingetrokken, maar nam wel deel aan de bezwaarprocedure van haar werkgever.

De rechtbank had het beroep van de werkgever gegrond verklaard en het herzieningsbesluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar het UWV stelde dat dit niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat appellante geen beroep had ingesteld bij de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante inderdaad geen beroep had ingesteld bij de rechtbank en dat haar hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:13 en Pro 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht. Er was geen proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 oktober 2012.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.

Uitspraak

10/4828 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 augustus 2010, 08/1033 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 3 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens haar heeft mr. M.J. Kragten de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met het onderzoek in de zaak 11/3022 WAO - plaatsgevonden op 11 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kragten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met toepassing van artikel 43a van de WAO te herzien, met als overweging dat de beperkingen van appellante per 30 november 2006 niet zijn toegenomen. Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (werkgever), in welke gemeente appellante vanaf 1 juli 2005 als [naam functie] werkzaam was, bezwaar gemaakt. Appellante heeft, na een buiten de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift, aan de bezwaarprocedure van de werkgever deelgenomen. Bij besluit van 12 november 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante per 31 januari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. Tegen het bestreden besluit is door werkgever en door appellante afzonderlijk beroep ingesteld. Appellante heeft haar beroep bij brief van 20 januari 2009 ingetrokken. De rechtbank heeft appellante naar aanleiding van een door haar gedaan verzoek, als derde partij in de procedure van de werkgever betrokken.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten.
4. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk is.
5.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante in het hoger beroep kan worden ontvangen en overweegt daartoe als volgt.
5.2. Op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, kan geen hoger beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld. Omdat appellante haar beroep tegen het bestreden besluit heeft ingetrokken moet ervan worden uitgegaan dat zij geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Van omstandigheden die met zich brengen dat aan appellante niet kan worden verweten dat zij geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank is niet gebleken. Vaststaat dat met de aangevallen uitspraak geen wijziging is aangebracht in de bij het bestreden besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Appellante is dan ook door de aangevallen uitspraak niet in een nadeliger positie geraakt. Op grond van artikel 6:13 in Pro samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Heeremans
CVG