ECLI:NL:CRVB:2012:BY0598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand en terugvordering bij ongewenstverklaring vreemdeling
Appellant, een vluchteling die in Nederland bijstand ontving samen met zijn echtgenote, werd ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. Het college herzag de bijstand naar de norm voor een alleenstaande en vorderde kosten terug over de periode van 15 februari 2008 tot 1 juni 2008.
De Raad oordeelt dat appellant door de ongewenstverklaring niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander en daardoor geen recht op bijstand had. Echter, de herziening van de bijstand kon pas ingaan vanaf de datum waarop het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning bekend werd gemaakt, namelijk 26 februari 2008.
De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad vernietigt daarom het besluit over de herziening en terugvordering voor de periode van 15 tot en met 25 februari 2008. Het college moet een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering. Verder oordeelt de Raad dat het college voortvarend heeft gehandeld en geen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening bijstand en terugvordering wordt vernietigd voor de periode vóór de bekendmaking van de intrekking verblijfsvergunning.