ECLI:NL:CRVB:2012:BY0936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand vanaf januari 2007 en woonde aanvankelijk bij haar moeder, later samen met L. die in 2007 op het adres kwam wonen en in 2009 trouwde met de moeder. Na het overlijden van de moeder bleef L. tot december 2009 op het adres ingeschreven. De gemeente Nijmegen startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand na een melding over vermogen en zwartwerk.
Uit het onderzoek bleek dat appellante beschikte over vermogen boven de vermogensgrens via een en/of-rekening met haar moeder en dat zij vanaf oktober 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met L. zonder dit te melden. De rechtbank vernietigde deels het besluit tot intrekking en terugvordering, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellante gedurende de onderzochte periodes niet recht had op bijstand.
De Raad oordeelde dat het saldo op de en/of-rekening toereikend bewijs is dat appellante over dat vermogen kon beschikken. Daarnaast werd vastgesteld dat appellante en L. aan de criteria van gezamenlijke huishouding voldeden, waaronder wederzijdse zorg, gebaseerd op gedetailleerde verklaringen die niet onder onaanvaardbare druk waren afgelegd.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat zij de rekening niet voor zichzelf gebruikte en concludeerde dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd. De uitspraak van de rechtbank werd voor zover aangevochten bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn bevestigd wegens vermogen boven de vermogensgrens en gezamenlijke huishouding.