ECLI:NL:CRVB:2012:BY1389

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2418 BESLU
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen inzake een bestuursrechtelijke kwestie met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De procedure duurde vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 11 juni 2007 tot de uitspraak van de Raad op 11 mei 2012 ruim vier jaar en tien maanden.

De Raad stelde vast dat deze duur de redelijke termijn overschrijdt zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker vorderde vergoeding van materiële en immateriële schade, maar het onderzoek werd uitsluitend heropend voor de vraag van schadevergoeding wegens de termijnoverschrijding.

De Staat erkende de overschrijding en stelde een vergoeding van €1.000 voor. De Raad oordeelde dat de overschrijding van ruim tien maanden een vergoeding van €1.000 rechtvaardigt en wees hogere schadevergoedingen af. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 oktober 2012.

Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

12/2418 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[A. te B.] (verzoeker)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
Datum uitspraak: 26 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van
18 juni 2009, 07/1974, in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bij uitspraak van 11 mei 2012, LJN BW5718, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad onder andere bepaald dat het onderzoek onder het op het voorblad van deze uitspraak genoemd nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 27 juli 2012 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brief van 18 augustus 2012 heeft verzoeker daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) .
OVERWEGINGEN
1. In zijn uitspraak van 11 mei 2012 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het Uwv op 11 juni 2007 van het bezwaarschrift van verzoeker tot de datum van bedoelde uitspraak de procedure vier jaar en ruim 10 maanden heeft geduurd. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.
2. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoeker in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is te kennen gegeven dat verzoeker een vergoeding van € 1000,- toekomt, nu de redelijke termijn in de rechterlijke fase met elf maanden is overschreden.
3. Verzoeker kan zich vinden in de berekening van de Staat zoals blijkt uit zijn brief van
18 augustus 2012. Voorts heeft verzoeker in zijn brief van 18 augustus 2012 verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade. De materiële schade is gelegen in het feit dat het Uwv verzoeker voor 100% arbeidsgeschikt heeft verklaard waardoor verzoeker in financiële problemen is gekomen. De immateriële schade is gelegen in de hoge psychische belasting die de onderhavige procedure voor verzoeker en diens echtgenote heeft teweeggebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoekster, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
4.2. Zoals onder 1 is weergegeven heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling vier jaar en ruim tien maanden heeft geduurd. De Raad ziet geen aanleiding een langere behandelingsduur dan vier jaar gerechtvaardigd te achten. De redelijke termijn is derhalve met ruim tien maanden overschreden. Dit leidt bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Voor toekenning van een hoger bedrag aan schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn aan verzoeker ziet de Raad geen aanleiding.
4.3. Ten aanzien van de overige, bij brief van 18 augustus 2012, verzochte verzoeken tot vergoeding van materiële en immateriële schade, overweegt de Raad dat het onderzoek uitsluitend is heropend in verband met het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Daarom kan aan deze andere verzoeken niet meer worden toegekomen.
5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van € 1.000,–;
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) R.L. Rijnen