ECLI:NL:CRVB:2012:BY1983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onterecht geweigerde WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 2000 werkzaam als productiemedewerker en werd in februari 2011 op non-actief gesteld wegens een gedraging waarbij hij een stuk koperdraad meenam. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden wegens gewichtige redenen. Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het meenemen van het koperdraad een dringende reden was voor ontslag en dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant stelde in hoger beroep dat het slechts ging om een klein stuk koperdraad dat als afval beschouwd moest worden en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn lange dienstverband.
De Raad beoordeelde dat onvoldoende vaststaat wat er precies is gebeurd en dat het meenemen van het koperdraad onvoldoende grond biedt voor diefstal. Omdat in de bedrijfsvoorschriften niets stond over het meenemen van restmateriaal en er geen gescheiden afvalinzameling was, was het voor appellant niet voorzienbaar dat hij ontslagen zou worden.
Daarom heeft het UWV ten onrechte de WW-uitkering geweigerd. De Raad kan zelf niet in de zaak voorzien omdat daarvoor meer gegevens nodig zijn en draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid en moet een nieuwe beslissing nemen.