ECLI:NL:CRVB:2012:BY1998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid en proceskostenvergoeding in WW-uitkeringszaak
Appellant was bedrijfsleider bij een drogisterij die werd overgenomen door een andere werkgever. Hij maakte gebruik van de VUT-regeling en beëindigde zijn dienstverband per 1 september 2008. Na beëindiging van de VUT-uitkering vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV niet-ontvankelijk en oordeelde dat appellant zelf had gekozen voor ontslag zonder dat sprake was van een acute noodzaak. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het besluit en de uitspraak onbegrijpelijk waren en dat het UWV ten onrechte niet was veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant vrijwillig gebruik maakte van de VUT-regeling zonder dat hem een dringende reden tot ontslag was opgelegd. Wel oordeelde de Raad dat het UWV terecht in hoger beroep was betrokken en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin het UWV niet werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding en bepaalde dat het UWV in totaal € 1748,- aan proceskosten en € 153,- aan griffierecht aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Appellant is niet verwijtbaar werkloos en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.