ECLI:NL:CRVB:2012:BY2391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Uitspraak over aanvang fictieve opzegtermijn en WW-uitkering per 1 oktober 2009
Betrokkene was sinds 1 juni 2002 in dienst van een werkgever en werkte als ontwerpster op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werkgever en betrokkene kwamen overeen het dienstverband te beëindigen per 1 oktober 2009, met een vergoeding van € 22.141,- bruto. Deze afspraken werden schriftelijk vastgelegd in een beëindigingsovereenkomst van 27 augustus 2009.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde aanvankelijk een WW-uitkering toe te kennen vanaf 1 oktober 2009, omdat volgens hem de fictieve opzegtermijn pas vanaf 28 augustus 2009 zou lopen, waardoor de eerste werkloosheidsdag op 2 november 2009 zou vallen. De rechtbank verklaarde dit besluit ongegrond en stelde dat de fictieve opzegtermijn aanving op 29 juli 2009, op basis van e-mailcorrespondentie tussen partijen.
Appellant stelde in hoger beroep dat de definitieve beëindigingsovereenkomst pas na vier weken was getekend en dat de e-mails geen volledige overeenstemming betekenden. De Centrale Raad oordeelde echter dat de e-mails van 29 juli 2009 voldoende schriftelijke overeenstemming vormden conform de Werkloosheidswet. Hierdoor begon de fictieve opzegtermijn correct op die datum, en komt betrokkene recht toe op een WW-uitkering vanaf 1 oktober 2009.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van appellant en stelde zelf vast dat betrokkene recht heeft op een bruto WW-uitkering van € 125,98 per dag vanaf 1 oktober 2009. Tevens veroordeelde de Raad appellant tot vergoeding van de kosten van bezwaar en hoger beroep, begroot op € 1.330,80.
Deze uitspraak bevestigt het belang van schriftelijke overeenstemming, ook via e-mail, voor het bepalen van de opzegtermijn en de daaruit voortvloeiende WW-rechten.
Uitkomst: De Raad stelt vast dat de fictieve opzegtermijn aanvangt op 29 juli 2009 en kent betrokkene een WW-uitkering toe vanaf 1 oktober 2009.