ECLI:NL:CRVB:2012:BY3121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen arbeid
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, meldde zich ziek wegens rugklachten en kreeg een uitkering op grond van de Ziektewet. De verzekeringsarts concludeerde na onderzoek dat zij vanaf 7 december 2009 geschikt was voor haar laatst verrichte werk. Het UWV beëindigde daarop het recht op ziekengeld.
Na bezwaar en een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts bleef het oordeel ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde het medisch onderzoek als zorgvuldig vast. In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische informatie onjuist was geïnterpreteerd en dat objectief vastgestelde afwijkingen haar beperkingen veroorzaakten.
De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts deze afwijkingen had meegewogen en dat de aanvullende informatie over een latere periode geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De criteria voor de Ziektewet zijn anders dan die voor de WWB, waardoor de overgelegde rapporten niet doorslaggevend waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 7 december 2009.