ECLI:NL:CRVB:2012:BY3185
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Kooper
- B.J. van de Griend
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering Wuv en toekenning schadevergoeding redelijke termijnoverschrijding
Appellant, geboren in 1940, vroeg in maart 2009 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving had ondergaan en omdat de internering tijdens de Bersiapperiode buiten de werking van de Wuv valt. Tevens kon niet worden vastgesteld dat de psychische klachten van appellant direct verband hielden met het overlijden van zijn vader in 1945.
De Raad overwoog dat appellant niet voldeed aan de definitie van vervolging zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wuv, omdat geen bewijs was van vrijheidsberoving tijdens de oorlogsjaren 1940-1945. Ook de discretionaire bevoegdheid van verweerder om appellant gelijk te stellen met een vervolgde werd niet toegepast vanwege het ontbreken van een direct verband tussen de klachten en het overlijden van de vader.
Verder stelde appellant beroep in wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursprocedure. De Raad concludeerde dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim twee jaar en elf maanden had geduurd, wat de redelijke termijn van tweeënhalf jaar overschrijdt. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 500,-.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 EVRM Pro, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de aanvraag voor uitkering wordt afgewezen.