ECLI:NL:CRVB:2012:BY3521

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5086 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onterecht betaald ziekengeld zonder dringende reden tot kwijtschelding

Appellante ontving onterecht ziekengeld over de periode van 22 december 2008 tot en met 8 november 2009 ter waarde van €4.888,87. Het UWV besloot dit bedrag terug te vorderen en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV terecht terugvordering toepast, omdat geen dringende redenen voor kwijtschelding zijn aangetoond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat vanwege de aard van de fout en de financiële gevolgen voor haar van terugvordering afgezien zou moeten worden. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 33 van Pro de Ziektewet terugvordering verplicht is, tenzij dringende redenen aanwezig zijn die zien op onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gemaakte fouten door het UWV geen dringende reden vormen, omdat deze niet zien op de gevolgen van terugvordering. Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven in de aard en omvang van haar financiële problemen, zodat niet is gebleken dat de terugvordering onaanvaardbaar is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onterecht betaald ziekengeld en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

11/5086 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2011, 11/69 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2012. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft zich op 29 september 2008, vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) ontving, ziek gemeld wegens diverse lichamelijke klachten. Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het Uwv per 30 oktober 2008 (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit op bezwaar van 5 december 2008 heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante daartegen bij uitspraak van 23 april 2009 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 september 2010, LJN BN7170, heeft de Raad de uitspraak van 23 april 2009 in hoger beroep bevestigd.
2. Het Uwv heeft over de periode van 22 december 2008 tot en met 8 november 2009 aan appellante abusievelijk ziekengeld uitbetaald. Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat het ziekengeld over de periode van 22 december 2008 tot en met 8 november 2009 ten bedrage van bruto € 4.888,87 ten onrechte is uitbetaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd.
3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv aan appellante een bedrag van € 4.888,87 te veel ziekengeld heeft uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich voorts op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat geen dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de terugvordering leidt tot financiële problemen, maar dit is niet nader onderbouwd.
5. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat, op grond van de aard en de omvang van de gemaakte fout en de ingrijpende gevolgen voor haar, zou moeten worden afgezien van terugvordering.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. In artikel 33, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld en hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd. Op grond van artikel 33, vierde lid, van de ZW kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
6.2. Volgens vaste rechtspraak is een dringende reden voor het Uwv om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet gelegen in factoren die hebben geleid tot het ontstaan van de terugvordering. De wetgever heeft met de dringende redenen van artikel 33, vierde lid, van de ZW volgens de wetsgeschiedenis immers slechts het oog gehad op de onaanvaardbaarheid van de sociale en financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene.
6.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid geoordeeld dat niet is gebleken van dringende redenen. De overwegingen van de rechtbank daarover worden onderschreven. De rechtbank heeft in dit verband nog terecht overwogen dat door het Uwv gemaakte fouten en gedane toezeggingen geen dringende reden kunnen opleveren omdat deze omstandigheden niet zien op de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft maar op het ontstaan ervan. Ook in hoger beroep heeft appellante geen omstandigheden aangevoerd die zien op de gevolgen die de terugvordering voor haar heeft. Dat appellante financiële gevolgen van de terugvordering ondervindt is evident, maar zij heeft in de aard en de omvang van deze gevolgen geen inzicht verschaft en daarmee niet aangetoond dat deze onaanvaardbaar zijn.
6.4. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
7. Voor een proceskostenveroordeling van het Uwv bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2012.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.R. Schuurman