ECLI:NL:CRVB:2012:BY3615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakelingsonderzoek
Appellant ontvangt sinds 2005 bijstand en werd in 2009 medisch gekeurd met beperkingen maar belastbaar voor arbeid. Hij werkte echter onvoldoende mee aan een arbeidsdeskundig onderzoek, door afspraken af te zeggen en niet te reageren op oproepen van de gemeente.
Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage schortte en trok de bijstand op grond van deze onvoldoende medewerking op, waarna appellant bezwaar maakte. Het college herzag het besluit deels en legde een verlaging van 30% van de bijstand voor één maand op wegens onvoldoende medewerking aan het arbeidsinschakelingsonderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad tot hoor en wederhoor en dat de maatregel onterecht en punitief was. De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar onvoldoende had meegewerkt en dat de maatregel passend was gelet op ernst, verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden.
De Raad verwierp het verweer dat een waarschuwing had moeten volstaan en dat de maatregel haar doel had gemist. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 30% voor één maand wegens onvoldoende medewerking wordt bevestigd.