ECLI:NL:CRVB:2012:BY3800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand na correcte vermogensvaststelling met inachtneming restschuld huurkoopauto
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) na het einde van haar WW-uitkering. Het college wees de aanvraag af omdat zij beschikte over een vermogen dat de vermogensgrens overschreed, onder andere door de waarde van een auto. Het college hield echter geen rekening met een restschuld uit huurkoop van de auto.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het college de restschuld van € 2.225,41 ten onrechte niet had betrokken bij de vermogensvaststelling. De Raad oordeelde dat de schuld wel meegewogen moest worden, mede omdat appellante een kredietbeschermingsverzekering had afgesloten die niet tot uitkering kwam vanwege haar arbeidsovereenkomst.
Na herweging van het vermogen, rekening houdend met de banksaldi, schuld aan haar vader, de waarde van de auto en de restschuld, concludeerde de Raad dat het vermogen van appellante geen belemmering vormde voor het verlenen van bijstand. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellante bijstand wordt toegekend over de periode van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het college moet bijstand toekennen aan appellante over de periode van 15 juli 2009 tot 24 augustus 2009, omdat de restschuld van de huurkoopauto bij de vermogensvaststelling moet worden betrokken.