ECLI:NL:CRVB:2012:BY3911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3930 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar verdere Ziektewet-uitkering te weigeren per 17 november 2010, omdat zij volgens de bezwaarverzekeringsarts niet ongeschikt is voor haar arbeid als tomatenplukster. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zwaar liet wegen.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met aanvullende medische informatie van PsyQ. Zij stelde dat haar psychische klachten werden onderschat. De Raad heeft dit onderzocht en geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd heeft toegelicht waarom appellante niet ongeschikt is voor haar werk.

De aanvullende informatie van PsyQ, waaruit een matige depressie blijkt, leverde geen nieuwe gezichtspunten op die het oordeel over de datum van 17 november 2010 zouden wijzigen. De Raad concludeerde dat appellante met haar klachten in staat moet worden geacht eenvoudig uitvoerend werk in de tuinbouw te verrichten. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van verdere Ziektewet-uitkering omdat appellante arbeidsgeschikt is.

Uitspraak

11/3930 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2011, 11/1711 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2012.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Harmelen en M.A. Priem als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 16 november 2010 heeft het Uwv appellante ingaande 17 september 2010, subsidiair per 17 november 2010, verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd omdat zij ondanks haar psychische klachten door de arts niet ongeschikt werd bevonden voor haar arbeid als tomatenplukster.
1.2. Bij besluit van 6 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 november 2010, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 5 januari 2011, ongegrond verklaard. Ter zitting van de rechtbank is van de zijde van gedaagde verklaard dat de datum 17 november 2011 wordt aangehouden.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Appellante is verder van mening dat de rechtbank onzorgvuldig is omgesprongen met de in beroep overgelegde informatie van PsyQ en het terzijde schuiven hiervan onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft verder geen blijk gegeven rekening te hebben gehouden met de aard van de ziekte van appellante. Ter onderbouwing van haar standpunt dat haar psychische klachten zijn onderschat heeft appellante nadere informatie van PsyQ van 18 mei 2011 en 20 september 2012 overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.
4.2. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De arts E.J.E. von Bóné heeft appellante zowel lichamelijk als psychisch onderzocht en op basis van bevindingen uit eigen onderzoek vastgesteld dat bij appellante, behoudens een gedrukte stemming, geen aanwijzingen zijn van een psychisch gedecompenseerd toestandbeeld. Het werk is niet psychisch belastend en appellante moet met haar klachten in staat worden geacht haar arbeid te verrichten, welk standpunt door bezwaarverzekeringsarts M. Keus is onderschreven. In zijn rapport van 5 januari 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts, op basis van dossierstudie, hoorzitting/spreekuur en verkregen informatie van appellantes huisarts, inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante op de datum in geding niet ongeschikt was voor haar werk als tomatenplukster.
4.3. Anders dan appellante heeft gesteld, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 5 januari 2011 en 23 maart 2011 op inzichtelijke wijze uiteengezet waarom er geen dringende reden was om de eerste afspraak dan wel de bevindingen van PsyQ af te wachten. In de rapportage van 10 mei 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts nog gereageerd op de in beroep overgelegde brief van PsyQ van 10 maart 2011 en aangegeven daarin geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4.4. Ook de in hoger beroep overgelegde medische informatie van PsyQ, waaruit blijkt dat sprake is van een depressie, herhaald, van matige ernst, werpt geen ander licht op de zaak nu deze informatie geen nieuwe gezichtspunten oplevert ten aanzien van de datum in geding, te weten 17 november 2010. Het is bekend dat appellante chronische stemmingsklachten ervaart, maar er is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen sprake van een geestelijk onvermogen om arbeid te verrichten. Het verrichten van simpel uitvoerend werk in de tuinbouw moet voor appellante zeker mogelijk zijn. Er is geen aanleiding dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in de rapportage van 2 oktober 2012, niet te onderschrijven.
4.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten dat appellante met ingang 17 november 2010 in staat moet worden geacht de eigen arbeid te verrichten.
5. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.5 overwogen is volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D. Heeremans