ECLI:NL:CRVB:2012:BY4176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- E.J. Govaers
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding niet volledig gegrond verklaard
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Het college trok de bijstand in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [N.], de vader van haar kind, over meerdere perioden in 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat onvoldoende bewijs bestaat dat [N.] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van 4 april tot 24 juni 2007, waardoor de intrekking over die periode niet gegrond is.
Voor de periode van 28 juli tot 12 november 2007 is wel aannemelijk dat sprake was van gezamenlijke huishouding, zodat de intrekking over die periode terecht is. De medische omstandigheden van appellante en haar zoontje vormen geen bijzondere reden om af te wijken van het beleid.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor de eerste periode en herroept het eerdere besluit van het college. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten van appellante. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2012.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand over de periode 4 april tot 24 juni 2007 wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.